Ernie Mellegers
"Don't start me talking, I'll tell you everything I know" (S.B. Williamson)
Het bouwtype silo in de architectuurgeschiedenis

Dit is een onderdeel uit de Culturele verkenning van de Maashavensilo (2009-2010) geschreven in opdracht van het ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (DS+V)

De silo is één van de eerste uit Amerika afkomstige bouwtypes dat internationale aandacht krijgt en de Europese architectuur beïnvloedt. Begin 20ste eeuw kijken moderne architecten in de oude wereld geïnteresseerd naar de foto’s uit de trade journals van de graanhandel. De silo’s met hun monumentale formele eenvoud, gebrek aan detail en eerlijkheid in materialen lijken een belichaming van de visioenen van architecten als Etienne Louis Boullée, Charles Nicolas Ledoux en ook van de prenten van Giovanni Battista Piranesi van ruim een eeuw eerder. Voor hen zijn de gebouwen een illustratie van Louis Sullivan’s adagium form follows function.

De bewonderaars zien de afbeeldingen daarbij los van hun culturele betekenis. Terwijl veel Amerikanen nog rücksichtslos oude Europese vormen en zelfs authentieke gebouwen combineren en importeren, adopteren ook de Europese architecten de nieuwe vormentaal van de silo’s zonder context. Ze gebruiken ze formeel en als symbool voor het nieuwe machinetijdperk.

Door de Europese belangstelling komen de graansilo’s ook onder de aandacht van moderne Amerikaanse kunstenaars. Beïnvloed door het Cubisme, maar vanuit de realistische Amerikaanse traditie, herleiden de Precisionisten de geometrische silo’s tot de basisvormen die de Europese architecten in eerste instantie hebben verleid. Het resultaat, de gebouwen en stadslandschappen, is eigen en anders. De schilder Charles Demuth bijvoorbeeld ziet de silo als iets Amerikaans terwijl de Europeanen het als een internationaal fenomeen zien.

Na de Eerste Wereldoorlog wordt de invloed van de Amerikaanse Industriële architectuur in Europa nog sterker. De wederopbouw en noodzakelijke modernisering van Europa vraagt om een reorganisatie van de Europese industrie volgens Amerikaanse lijnen en een model voor het nieuwe ‘machinetijdperk’. De radicaal moderne architecten omarmen de gebouwen en organisatie van de Amerikaanse industrie als inspiratiebron. Dit figureert uitgebreid in lezingen en publicaties van de Europese Avant-Gardes.

Walter Gropius is in 1913 met een artikel in het jaarboek van de Deutsche Werkbund waarschijnlijk de eerste van de opkomende generatie architecten die de Amerikaanse constructiemethoden bespreekt.* De illustraties heeft hij gekregen van industrieel Karl Benscheidt, de opdrachtgever van Gropius’ Fagus fabriek (1910-1911). In het artikel bespreekt hij een reeks Amerikaanse industriële monumenten waaronder de graansilo’s. Hij stelt dat men in Amerika op dit gebied veel verder is. De industriële complexen daar hebben een majestueuze monumentale kracht die bijna in vergelijking staat met de gebouwen van het oude Egypte. Ze zijn helder en logisch en de monumentaliteit komt niet alleen voort uit hun schaal. Volgens hem zijn ze het resultaat van het eigen, onafhankelijk gevoel voor massieve, compacte en geïntegreerde vormen bij de ontwerpers. Daarom moeten de Europeanen zich snel bevrijden van hun historische nostalgie en al het andere dat de artistieke creativiteit en een actuele architectuur in de weg staat.

Gropius’ essay is het eerste van een reeks publicaties waarin de silo’s figureren. De Franse schrijver en kunstenaar Jean Cocteau bijvoorbeeld schetst in 1918 het beeld van de graanelevators en machines in Le Coq et l’Arlequin.** Hij vergelijkt ze met Griekse kunst wat betreft het utiliteitsaspect, resulterend in een sobere grandeur. De kunst moet volgens hem hieruit een middel tegen niet eigentijdse oppervlakkige schoonheid distilleren.

De Frans-Zwitserse architect Le Corbusier is in 1919 de auteur van het meest beroemde artikel, met een hoofdrol voor de graansilo’s. In 3 rappels à M.M. les Architectes hergebruikt hij Gropius afbeeldingen in een verhandeling over massa. Bij Gropius zijn de silo’s alleen nog voorbeelden van een zich snel ontwikkelende industriële architectuur. Bij Le Corbusier krijgen deze een tijdloos karakter. Ook hij ziet in de “mooie, mooiste vormen” van de silo’s verwantschap met de Egyptische piramide en de Griekse tempel. Hun vormentaal is eveneens gebaseerd op primaire universele basisvormen zoals de kegel, de cilinder, de bol en rechthoek. Ze bieden een universeel voorbeeld voor alle architectuur – die volgens hem niets anders is dan een meesterlijk, correct en magnifiek spel van vormen onder het licht.***

Dit alles is voor Le Corbusier belangrijke munitie in zijn strijd met de Beaux Arts architectuur. Alleen zitten de Griekse timpanen die hier en daar op het pure ingenieurswerk zitten dan in de weg. Daarom retoucheert de Franse schilder Amadée Ozenfant, Le Corbusier’s intellectuele partner, de foto’s. Het is dezelfde, bekende serie die Gropius in 1913 heeft gebruikt maar tot verbazing van de lezers zijn de foto’s nu dus wel anders – nog radicaler.

Via de publicaties van de avant-garde duikt de silo ook in meer conservatieve architectuurkringen op. Het is echter de Russisch architect Moisei Ginzburg die het voorbeeld van de silo in 1924 nog verder voert als Gesamtkunstwerk van het machinetijdperk. Voor hem biedt de industriële architectuur een reservoir van vormen en voorbeelden waar de architect op doorwerken moet.****

Slechts weinigen zien de Amerikaanse grain elevators met eigen ogen. De architect Erich Mendelsohn, die mathematisch pragmatisme kenmerkend vindt voor de silo’s, is een uitzondering. Daarmee is de Internationale Stijl ofwel het Modernisme wat betreft de invloed van Amerikaanse industriële prototypes en modellen vrijwel alleen gebaseerd op fotografisch materiaal.*****

Na deze periode van grote faam, gedurende het vroege Modernisme, raakt de silo wat op de achtergrond. Pas met de hernieuwde belangstelling voor typologieën, in de jaren zestig, duikt het bouwtype weer op. De boodschap is deels dezelfde maar nu geplaatst in een culturele context. Aldo Rossi parafraserend: De eerste silo’s van de mid-west zijn gebouwd door degenen die Europa ontvluchten. Ze weerspiegelen architectuur uit verschillende delen van centraal-europa. Door de tijd heen ontwikkelde de silo-architectuur zich echter tot een eigen zelfverzekerde taal die het landschap mee vorm gaf. Door het probleem van vorm te verlaten kwam men tot architectuur. Wat de beschouwer raakt in de silo’s is het purisme van de geometrie, de helderheid van de constructie en de relatie met het landschap.******

 

* Gropius, W., “Die Entwicklung moderner Industriebaukunst”, in: Die Kunst in Industrie und Handel, Jahrbuch des Deutschen Werkbundes, Jena: Eugen Diederichs, 1913. p.20 e.v.

** Cocteau, J, Le Coq et l’Arlequin. Notes autour de la Musique (Collection des Tracts no.1), Paris: Editions de la Sirène, 1918.

*** Le Corbusier-Saugnier, Vers une Architecture, Collection de L’Esprit Nouveau, Paris, 1923. pp.15-20 (Saugnier is het pseudoniem van Amadée Ozenfant. Bij latere drukken werd alleen Le Corbusier als auteur vermeld) p. Eerder gepubliceerd in: L’Esprit Nouveau, 11 oktober 1919. p.92

**** Op.cit. p.16 De verderop genoemde silo met de timpanen is overigens een Argentijnse silo.

***** Dit is één van de historische verklaringen voor de eeuwig lekkende platte daken van de modernistische architecten. Voor meer hier over: Banham, R., A Concrete Atlantis. U.S. Industrial Building and European Modern Architecture, Cambridge (Mass.) & London: MIT Press, 1986. P.17-18

****** Rossi, A., “Timeless Cathedrals”, in: Mahar-Keplinger, L., Grain Elevators, New York: ,1993.